3 vragen over traumabehandeling

3 vragen over traumabehandeling aan Maria Mauritz, verpleegkundig specialist ggz en onderzoeker

 

1. Wordt PTSS herkend in de behandelkamer?

“Ja en nee. Posttraumatische stressstoornis (PTSS) is niet hetzelfde als trauma. Maar liefst vier op de vijfNederlanders maakt in zijn leven ietsschokkends mee, slechts acht procent van hen krijgt daardoor PTSS-klachten. Met dit onderscheid gaat het nog wel eens mis. Trauma lijkt soms een modewoord; mensen noemen een stressvolle gebeurtenis dan traumatisch, denk aan een bezoek aan de tandarts. Behandelaren zeggen dat ze veel trauma tegenkomen bij patiënten en zijn soms geneigd dat trauma direct te gaan behandelen. Ze kijken me vreemd aan als ik zeg: ‘Er kan sprake zijn van een trauma, maar is er ook sprake van PTSS?’ Tegelijkertijd zie ik dat vooral bij mensen met een chronische, ernstig psychiatrischeaandoening (EPA) niet wordt gedachtaan PTSS, omdat de klachten van de patiënt passen bij de hoofdstoornis, zoals psychose of depressie.”

2. Wat is belangrijk in de behandeling?

“Een screening op trauma én PTSS moet standaard plaatsvinden bij elke intake. Het gebeurt nu nog te vaak niet. Je vraagt onder meer naar traumatische gebeurtenissen en typische symptomen van PTSS: heb je bijvoorbeeld last van nare, opdringende herinneringen, ben je schrikachtig? Patiënten kunnen daar over het algemeen heel goed antwoord op geven. Soms hebben patiënten na een trauma geen PTSS, maar wel gevoelens van verdriet en boosheid. Aandacht voor het levensverhaal kan ook dan helend zijn. Verder is het heel belangrijk dat de behandelaar patiënt en naasten uitleg geeft over wat PTSS precies is. Dat boosheid en heftige uitbarstingen erbij horen, bijvoorbeeld. En dat bewegen helpt om de adrenaline uit het lijf te krijgen. Als je dat begrijpt, wordt het leven met PTSS al iets draaglijker.”

3. Komt PTSS vaak voor bij EPA-patiënten?

“Ja, vaker dan bij mensen zonder EPA. Dat komt enerzijds door biologische aanleg, anderzijds door het feit dat relatief meer mensen met EPA in de kindertijd (herhaaldelijk) zijn getraumatiseerd. Zo blijkt uit onderzoek dat meer dan zeventig procent van de mensen met schizofrenie lichamelijk is mishandeld. We wisten wel dat deze relatie er is, maar dat de cijfers zó hoog zijn, was een schok. Trauma is daarom al enkele jaren een speerpunt binnen het behandelbeleid van GGNet. EPA-patiënten worden niet per se helemaal beter, maar een behandeling voor de aanwezige PTSS heeft meestal wél een positief effect: de klachten die bij de hoofdstoornis horen, verminderen vaak en de kwaliteit van leven neemt toe.”

 

Dit interview werd gepubliceerd in het GGNet Magazine 2019