Weg met de schotten!

GGNet staat aan de vooravond van een transitie naar netwerkzorg. Maar wat is dat precies? Waarom is het beter dan de ketenzorg die we nu kennen? En wat kunnen we verwachten? Chantal Koopmans en Sanne Wassink vertellen over de zoektocht naar vernieuwing.

 

“Netwerkzorg is niet ons doel, maar de uitkomst. Laten we dat vooropstellen”

“Netwerkzorg is niet ons doel, maar de uitkomst. Laten we dat vooropstellen”, zegt Chantal Koopmans, directeur Bas, Ouderen en Jeugd bij GGNet. “De term heeft alles in zich om de nieuwe hype in zorgland te worden, en dat moeten we voorkomen. De veranderingen die wij de komende jaren gaan doorvoeren hebben vier doelen: de ervaren kwaliteit van zorg verbeteren, de gezondheid van patiënten verbeteren, de zorgkosten omlaag brengen en de tevredenheid van zorgmedewerkers verhogen. Dat kunnenwe als GGNet allemaal niet alleen, dus we gaan het doen in nauwe samenwerking met de omgeving van de patiënt (zijn persoonlijke en professionele netwerk) en andere organisaties in de zorg. En als alles goed gaat, is netwerkzorg het logische resultaat.”

Schotten

Verandering is hard nodig. De zorg staat enorm onder druk, vanwege de toenemende vergrijzing, personeelstekorten en hoge zorgkosten. “Binnen het huidige systeem zitten we aan de grenzen van onze mogelijkheden”, vertelt Chantal. “Nederland geeft veel geld uit aan zorg, meer dan nodig, terwijl de zorgverleners de totale kwaliteit eigenlijk niet goed op orde kunnen houden. Behandelaars willen dolgraag samenwerken, maar ervaren allerlei belemmeringen door kunstmatige schotten in de regelgeving, systemen en financiering. Noodgedwongen heeft iedereen zijn eigen triage, behandelplan en geldstroom. Ondertussen doen we van alles dubbel en zijn we veel tijd kwijt met verantwoorden waar het geld naartoe gaat.”

“Zo dichtbij en zo doelmatig mogelijk, met contacten in de wijk in plaats van in het ziekenhuis”

Eigen netwerk

Hoe moet het dan? Sanne Wassink, verpleegkundig specialist en stafmedewerker bij GGNet Ouderen, schetst het toekomstbeeld dat GGNet voor ogen heeft. “We willen dat alle professionals, organisaties en financiers in de zorg gefocust zijn op de individuele patiënt binnen zijn of haar eigen netwerk. Dat netwerk verschilt per persoon. Het bestaat minimaal uit naasten en een huisarts, en kan al naar gelang de hulpvraag, ernst van de ziekte en fase van behandeling worden aangevuld met specialisten en zorgverleners. Denk bijvoorbeeld aan een specialist in het algemeen ziekenhuis, een praktijkondersteuner huisarts, wijkverpleegkundige of psychiater. Zeker als een patiënt veel verschillende zorg nodig heeft maar over een klein sociaal netwerk beschikt, vormen zorgverleners het zorgnetwerk.”

Eigen keuzes

In het ideale geval werkt het zorgnetwerk met één behandelplan, waarbij de regie in principe ligt bij de patiënt. Hij maakt dus eigen keuzes in het behandelplan, mits hij of zij daartoe in staat is. “Ernstige psychische ziekte kan zo ontwrichtend zijn”, vult Chantal aan, “dat patiënten de grip op hun leven soms volledig kwijt zijn en zelf geen keuzes meer kunnen maken. Dan nemen wij vanuit de specialistische ggz de regie over, maar altijd met het doel om de verantwoordelijkheid voor het eigen leven zo snel mogelijk weer terug te geven. Bijvoorbeeld door te zorgen dat de patiënt het herstel en de nazorg in zijn eigen netwerk kan regelen. Zo dichtbij en doelmatig mogelijk, met contacten in de wijk in plaats van in het ziekenhuis.” Daarmee kan de rolverdeling van de zorgverleners per fase verschillen. “Vanuit die visie zijn een goede coördinatie en afstemming van de zorg essentieel”, zegt Sanne. “We willen binnen het zorgnetwerk gemakkelijk kunnen op- en afschalen.”

Pilotproject

De transformatie belooft een enorme uitdaging te worden. Willen behandelaars en zorgverleners samen met naasten een zorgnetwerk kunnen vormen, dan zullen alle onderliggende systemen, zoals de technologie en financiering, radicaal moeten veranderen. “Daarom beginnen we klein”, legt Chantal uit. “Dichtbij de patiënt, op plaatsen waar al een goede samenwerking bestaat.” In Woudhuis bijvoorbeeld, een wijk in Apeldoorn waar GGNet Ouderen intensief samenwerkt met verpleeghuis Thalma Borgh, gezondheidscentrum Osseveld/Woudhuis en de geriaters van de Gelre Ziekenhuizen. “Met hen willen we een pilot Netwerkzorg Kwetsbare Ouderen houden”, vertelt Sanne. “De verkennende gesprekken zijn inmiddels gestart.” Door te kiezen voor een wijkaanpak vindt de eerste stap in de transitie al plaats: het gaat over alle ouder wordende mensen in de wijk, dus niet meer alleen over patiënten. Daarmee kan vroeg interventie of preventie plaatsvinden.

“De meeste antwoorden hebben we nog niet. Maar gaandeweg gaan we die samen vinden”

Regenboogmodel

GGNet wil het experiment vormgeven op basis van het Regenboogmodel van Pim Valentijn, dat de transformatie naar netwerkzorg tot in detail uitwerkt. De eerste stap is een nulmeting: analyseren wat er nu in de wijk aan ouderenzorg wordt geboden, hoeveel geld daarmee gemoeid is en welke kwaliteit dat oplevert. Sanne: “Daarna gaan we onderzoeken welke veranderingen wenselijk zijn, wat daarvoor nodig is en hoe we ze kunnen vormgeven. We zetten de bestaande samenwerkingen dus in om met elkaar te kijken hoe het beter kan. Vervolgens gaan we met het plan naar de financiers, zoals de gemeente en de verzekeraars, om ook hun medewerking te vragen. En dan kunnen we het model in praktijk brengen en de vorderingen meten. Helpt het wat we aan het doen zijn? Ervaren de patiënten een betere zorg? Brengen we de kosten omlaag? Zijn zorgverleners meer tevreden?”Binnen GGNet Intern gaat GGNet ook aan de slag. “Binnen is het net als buiten, met allerlei schotten tussen de soorten zorg die we bieden”, besluit Chantal. “Daarom gaan we ook kijken hoe wij interne zorgnetwerken kunnen vormen. Ik ben me ervan bewust dat netwerkzorg in dit stadium voornamelijk vragen oproept. De meeste antwoorden hebben wij nog niet. Maar gaandeweg gaan we die samen vinden.”

 

Dit interview is gepubliceerd in het GGNet Magazine 2020-2021