Direct naar:

Klinische schematherapie GGNet Scelta Apeldoorn

Behandeling bestaat uit een probleemgerichte aanpak, middels het werken aan individuele doelen op verschillende levensgebieden. Patiënten werken aan hun behandeldoelen in een groepssetting waar met elkaar wordt geleerd en geoefend. Patiënten werken aan doelen vastgesteld op drie behandellijnen: sociaal functioneren, gedragsverandering en maatschappelijk functioneren. Deze gebieden hebben uiteraard alles met elkaar te maken. Adequaat gedrag, bijvoorbeeld goed om kunnen gaan met emoties, is nodig om naar tevredenheid sociale contacten te kunnen aangaan en te onderhouden. Dit vergroot vervolgens weer het gevoel van welbevinden. Verbetering van sociaal functioneren heeft uiteraard direct een positief effect op maatschappelijke re-integratie. De patiënt is 9 maanden in behandeling. 

Voor wie

De doelgroep van Programma 2 bestaat uit patiënten met als hoofddiagnose een persoonlijkheidsstoornis die hiernaast kunnen lijden aan de gevolgen van ernstige traumatisering. Dit kunnen mensen zijn met een borderline persoonlijkheidstoornis, maar ook met vermijdende, afhankelijke- of narcistische persoonlijkheidsstoornissen, of mensen met een identiteitsstoornis veelal in combinatie met complexe PTSS. Men is doorgaans redelijk tot goed in staat naar eigen gedrag te kijken. Ook is men in staat om impulsen redelijk onder controle te houden en staat verslavingsproblematiek niet op de voorgrond. Centraal in de problematiek van bovengenoemde patiënten staan een zeer kwetsbaar zelfgevoel, emotieregulatieproblemen, identiteitsproblemen, wantrouwen in sociaal contact en een streng geweten gekoppeld aan een irreëel hoog streefniveau. Dit tegen de achtergrond van emotionele en/of pedagogische verwaarlozing, en fysieke en/of geestelijke mishandeling zoals pestervaringen in de vroege jeugd en seksueel misbruik. Patiënten lopen vast in hun leven op het moment dat een veelal wankel evenwicht verstoord wordt door bijvoorbeeld uit huis gaan in verband met studie, het aangaan van een intieme band met een ander, overlijden van een steunfiguur of het starten van een baan. Patiënten kunnen onvoldoende intieme, wederkerige banden aan te gaan. Ook het niet om kunnen gaan met heftige en wisselende emoties en instabiliteit in relaties maken dat patiënten vastlopen in hun dagelijkse leven. 

Ambulante hulpverlening is bij deze groep patiënten onvoldoende gebleken. Deeltijdbehandeling is onvoldoende intensief om vastgeroeste disfunctionele gedragspatronen te veranderen waardoor de klachten onvoldoende afnemen. In een enkel geval kan het belangrijk zijn dat patiënten eerder starten met een intensief behandeltraject. Hiermee wordt een langdurige behandeling in de GGZ voorkomen. Klinische behandeling biedt een veilige omgeving en voldoende intensiteit om te leren contact opnieuw te verdragen, de identiteitsontwikkeling op gang te brengen, om te gaan met heftig en wisselende gemoedstoestanden, vermijding op te geven door meer risico's te nemen, kortom; te oefenen met nieuw gedrag. Interventies zijn gericht op het opnieuw aangaan van een hechtingsrelatie. De kliniek biedt een intensief sociaal oefenveld doordat patiënten functioneren in diverse groepen. Bij de ontwikkeling van persoonlijkheidsstoornissen blijken zowel biologische factoren als omgevingsfactoren een rol te spelen. Het doel is om patiënten te helpen zoeken naar adequate manieren om in hun emotionele basisbehoeften te voorzien. Het multidisciplinaire behandelteam, de patiëntengroep en de verschillende therapeuten ondersteunen deze zoektocht. 

Hoe werkt het

De behandeling bestaat uit een probleemgerichte aanpak, met het werken aan individuele doelen op verschillende levensgebieden. Patiënten werken aan hun behandeldoelen in een groepssetting waar met elkaar wordt geleerd en geoefend. Patiënten werken aan doelen vastgesteld op drie behandellijnen, te weten; Sociaal functioneren, gedragsverandering en maatschappelijk functioneren. Deze gebieden hebben uiteraard alles met elkaar te maken. Adequaat gedrag, bijvoorbeeld goed om kunnen gaan met emoties, is nodig om naar tevredenheid sociale contacten te kunnen aangaan en te onderhouden. Dit vergroot vervolgens weer het gevoel van welbevinden. Verbetering van sociaal functioneren heeft uiteraard direct een positief effect op maatschappelijke re-integratie. De patiënt is 9 maanden in behandeling.

De behandellijnen:

  • 1. Sociaal functioneren: de kliniek wordt gezien als een sociaal oefenveld waarin patiënten, met behulp van het behandelteam, sociale vaardigheden kunnen oefenen en aanleren.
  • 2. Gedragsverandering: schema's of valkuilen spelen hierbij een belangrijke rol. Schema's zijn vastgeroeste patronen van omgaan met jezelf en anderen. Ze ontstaan als overlevingsmechanismen in de kindertijd wanneer onvoldoende tegemoet gekomen is aan de basisbehoeften van een cliënt. Deze schema's zijn niet meer functioneel in het huidige leven van de cliënte.
  • 3. Maatschappelijk functioneren: Voor het functioneren in de maatschappij zijn een drietal vaardigheden nodig
    • a. algemene dagelijkse vaardigheden (lichaamsverzorging, koken, budgetbeheer)
    • b. maatschappelijke vaardigheden (het vervullen van maatschappelijke rollen) en
    • c. professionele vaardigheden ( benodigd om een beroep, functie te kunnen uitoefenen).
    • Tekorten op deze gebieden worden geïnventariseerd en vertaald naar werkbare, haalbare doelen. Patiënten kunnen gebruik maken van trajectbegeleiding in het uitzoeken van opleiding, werk en begeleiding bij het opstarten ervan.

De behandeling is opgebouwd uit de volgende therapieonderdelen:

  • Sociotherapie: Sociotherapie draagt bij aan het creëren en in stand houden van een oefenterrein waarin geleerd kan worden om met zichzelf en anderen om te gaan. Werken, studie, vrije tijd en sociale contacten worden in kaart gebracht en er wordt gekeken hoe men stapsgewijs de situatie kan verbeteren.
  • Psychotherapie: De vrije groepspsychotherapie draagt mede zorg voor de noodzakelijke holding waarbinnen patiënten durven experimenteren en onderzoeken. Cognitieve psychotherapie werkt disfunctionele schema’s en modi uit om te komen tot meer helpende gedachten die als basis kunnen dienen voor adequater gedrag.
  • Psychomotorische therapie: Gericht op samenwerking, het herkennen van disfunctionele patronen, kwaliteiten en oefenen met nieuw gedrag.
  • Muziektherapie: In muziektherapie kunnen patiënten ontdekken waar ze tegen aanlopen in omgaan met zichzelf en anderen en hoe ze een positieve verandering aan kunnen brengen in omgaan met zichzelf en anderen. Module emotieregulatie en stabilisatie. Hierin leren patiënten om te gaan met hun heftige emoties en de gevolgen van traumatisatie .
  • Systeemtherapie: Denken en gedrag wordt in belangrijke mate bepaald door de context waarin men opgevoed is en nu leeft. Deze context (ook systeem genoemd) heeft er mede voor gezorgd dat schema’s ontwikkeld werden en worden. Verandering binnen het individu heeft invloed op de omgeving en vice versa. Zicht krijgen op en actief werken aan die systeemfactoren die de problematiek beïnvloeden staat centraal. Relatie- en gezinstherapie vervult daarom een belangrijke rol in het basisprogramma en draagt bij tot het ontwikkelen van gezonde communicatievormen. 

Praktische informatie

Huisregels 
Elk programma heeft een aantal eigen huis­regels. Deze helpen een veilig en gestruc­tureerd omgangsklimaat te scheppen dat voldoende ruimte laat voor eigen initiatief en verantwoordelijkheid.

Alcohol en drugs 
Het gebruik van zowel soft- als harddrugs is niet toegestaan. Op de afdeling is ook het gebruik van alcohol niet toegestaan. Het is daarnaast belangrijk dat patiënten ook in de avonduren en in de weekenden niet of slechts in beperkte mate alcohol gebruiken. Afwijken van deze regel is strijdig met het therapeutisch proces. 

Audiovisuele middelen 
In het kader van de behandeling en ook voor supervisie- of opleidingsdoeleinden, kunnen van de therapiezittingen audio- en video-opnames worden gemaakt. Daarbij houdt GGNet Scelta zich aan de richtlijnen van de hoofdinspectie van de geestelijke gezondheidszorg. 

Geheimhouding 
Het is niet toegestaan dat de patiënt aan buitenstaanders (dat wil zeggen mensen buiten de patiënten en staf van het programma) vertelt wat medepatiënten aan de patiënt hebben toevertrouwd. Een ieder moet kunnen rekenen op discretie en bescherming van de privacy.