Gepubliceerd:

Wie lang psychische klachten heeft, krijgt in de zorg vaak vooral aandacht voor wat beter moet. Maar wat als je ook kijkt naar wat iemand kracht geeft? Onderzoekers van GGNet en de Universiteit Twente onderzochten een groepsbehandeling voor mensen met een persoonlijkheidsstoornis die wachtten op intensieve behandeling binnen de gespecialiseerde GGZ. Opvallend is dat juist deze groep, ondanks de complexe zorgvraag en het vooruitzicht op intensieve behandeling, positieve ontwikkelingen liet zien na een relatief korte interventie gericht op persoonlijke kracht en welbevinden.

Acht weken werken aan welbevinden
Aan het onderzoek deden 18 mensen met een persoonlijkheidsstoornis mee die op een wachtlijst stonden voor een intensieve behandeling. Zij volgden acht wekelijkse groepsbijeenkomsten van twee uur. In de bijeenkomsten was aandacht voor onder meer zelfcompassie, omgaan met moeilijke emoties, persoonlijke kwaliteiten, dankbaarheid, positieve relaties en het omgaan met angst. Deelnemers oefenden met deze onderwerpen tijdens de bijeenkomsten en kregen ook opdrachten mee voor thuis.

Minder psychische klachten en beter functioneren
De eerste resultaten zijn positief. Drie maanden na afloop lieten de deelnemers gemiddeld een ontwikkeling zien in de richting van:

  • minder psychische klachten en spanning;
  • verbetering van het persoonlijk functioneren, bijvoorbeeld op het gebied van identiteit en zelfcontrole;
  • meer emotioneel welbevinden, zoals tevredenheid en positieve gevoelens;
  • een positieve ontwikkeling van het psychologisch welbevinden, zoals zelfacceptatie en persoonlijke groei.

De deelnemers en behandelaren waren over het algemeen positief over de groepsbehandeling. Vooral de aandacht voor persoonlijke kwaliteiten, de praktische oefeningen, de groepsvorm en de steun van de behandelaren werden gewaardeerd. Deelnemers gaven aan dat de bijeenkomsten hen hielpen om met meer zelfvriendelijkheid en begrip naar zichzelf en hun problemen te kijken. 

Een waardevolle aanvulling op de behandeling
De resultaten wijzen erop dat een compassiegerichte en positieve benadering mogelijk kan helpen in de periode voordat een intensieve behandeling start. Deelnemers gaven aan dat zij meer inzicht kregen in zichzelf, vriendelijk naar zichzelf leerden kijken en meer aandacht kregen voor wat hen kracht geeft.  “In de ggz ligt de nadruk vaak op klachten en op wat er beter moet. Met deze groepsbehandeling wilden we juist ook aandacht geven aan wat mensen wél in zich hebben en wat hun leven betekenis geeft. De eerste ervaringen laten zien dat juist die andere blik waardevol kan zijn”, vertelt Klaas Huijbregts, behandelaar en onderzoeker bij GGNet. Door niet alleen te kijken naar wat er niet goed gaat, maar ook naar persoonlijke kwaliteiten, welbevinden en wat iemand belangrijk vindt, kan deze aanpak mogelijk bijdragen aan hoop, vertrouwen en motivatie voor verdere behandeling. Dat maakt de interventie vooral interessant als aanvulling in de periode waarin iemand wacht op intensieve behandeling.

Vervolgonderzoek is nodig
De onderzoekers benadrukken dat de resultaten nog voorlopig zijn. Het onderzoek was kleinschalig en er was geen controlegroep. Daarom kan nog niet worden vastgesteld dat de gevonden verbeteringen uitsluitend door de groepsbehandeling zijn veroorzaakt. Groter vervolgonderzoek met een controlegroep is nodig. Klaas: “Deze eerste resultaten zijn hoopgevend, maar we moeten voorzichtig zijn met onze conclusies. We willen nu vooral verder onderzoeken voor wie deze aanpak werkt en of de positieve effecten ook in groter onderzoek zichtbaar blijven.”

Het onderzoek wijst erop dat een behandeling die ruimte geeft aan kracht, zelfcompassie en welbevinden veelbelovend kan zijn voor mensen met een persoonlijkheidsstoornis. Vervolgonderzoek moet uitwijzen welke rol deze aanpak kan spelen binnen de behandeling. 

Meer over het onderzoek

Dit onderzoek is uitgevoerd door onderzoekers van GGNet en de Section of Psychology, Health & Technology van de Twente Universiteit. 

Auteurs: Amber Hulskotte, Katinka Franken, Klaas Huijbregts,
Peter M. ten Klooster, Gerben J. Westerhof en Ernst T. Bohlmeijer