Een bredere kijk op herstel
‘Wat mij betreft wordt een somatische screening van alle patiënten de standaard; om hen betere zorg te kunnen leveren en beter te helpen op weg naar herstel’. Bijzonder hoogleraar Eric Noorthoorn spreekt oratie uit.
Bij ggz-behandelingen met een duidelijk begin en einde kan het herstel van patiënten vrij overzichtelijk worden gemeten met Routine Outcome Monitoring. Voor mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen ligt dat anders. Ze hebben problemen op meerdere levensgebieden en hun herstel verloopt vaak moeizamer. Hoe kunnen we voor deze groep toch gefundeerde metingen doen om de zorg te verbeteren en hun herstel te bevorderen? Over die vraag buigt onderzoeker en bijzonder hoogleraar Eric Noorthoorn zich.
Er is een groep patiënten die in de ggz blijft hangen. Hoe komt dat, waarom herstellen zij niet? Hebben zij misschien ook somatische klachten? Is er genetisch iets aan de hand? Speelt dementie een rol? Welke sociale factoren zijn hier van invloed? Als onderzoeker knoopt Eric Noorthoorn informatie uit verschillende bronnen aan elkaar om een beter beeld te krijgen van de ziektelast en het herstelvermogen van mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA). En als hoogleraar laat hij studenten Klinische psychologie vaak voor het eerst kennismaken met deze groep patiënten. Hoe breng je nou in beeld wat er met hen aan de hand is? Waar richt de zorg voor hen zich op? En wat is daarin jouw rol als zorgverlener?
Meer gegevens, meer inzicht
Op 1 mei 2025 is Eric benoemd tot bijzonder hoogleraar Long-term Mental Health Care aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Op 29 januari spreekt hij zijn oratie uit. ‘Meer zicht op herstel. Op weg naar een onderzoeksmodel bij mensen met langdurige zorgbehoefte in de specialistische ggz’ luidt daarvan de titel. Eric verklaart: “Herstel is bij EPA-patiënten lastiger te meten dan bij patiënten die een kortdurende behandeling krijgen. Die laatste groep kunnen we aan het begin en einde van hun behandeltraject een vragenlijst voorleggen, waarna we aan de verschillen kunnen aflezen in hoeverre zij over de tijd hersteld zijn. Maar EPA-patiënten hebben in de acute fase van hun stoornis een vertroebelde waarneming. Routine Outcome Monitoring (ROM) kunnen we daardoor bij hen niet goed doen. Vandaar dat ik een onderzoeksmodel heb ontwikkeld dat met informatie uit meerdere bronnen toch inzicht geeft in hun herstel en de indicatoren die daarop van invloed zijn.”
Het model van Eric geeft een praktisch kader voor het koppelen van gegevens uit verschillende bronnen. Het zet determinanten (factoren van invloed, zoals demografische kenmerken, DSM-diagnose, trauma) en uitkomsten naast elkaar en geeft daartussen het verband weer. Door die combinatie van gegevens worden patronen zichtbaar die de langdurige zorgafhankelijkheid van patiënten kunnen verklaren en risicofactoren voor behandeling en herstel.
Een schat aan informatie
“Zaken als werk, participatie, leefomgeving, sociaal netwerk en mate van zelfredzaamheid hebben een enorme impact op het herstel en welbevinden van EPA-patiënten. De symptomen van het psychiatrisch ziektebeeld die we meten met ROM vormen in feite maar een klein brokje van iemands situatie”, legt Eric uit. “Voor het meten van herstel doen we er daarom goed aan behalve naar de ROM óók te kijken naar de kosten en opbrengsten van zorg.” En dus brengt het onderzoeksmodel van Eric ook de kosten in beeld die instellingen maken om symptomen te bestrijden en herstel te bevorderen. Die cijfers geven namelijk veel prijs over de mate van zorgafhankelijkheid van patiënten. Eric: “Die kosten vallen onder drie wetten: de Wet langdurige zorg (Wlz; voor verblijf in de kliniek of bijvoorbeeld begeleid wonen), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo; voor ondersteuning vanuit het sociaal domein) of de Zorgverzekeringswet (Zvw; voor artsen, hulpverleners en behandelaren). Laat het herstelmodel voor een individuele patiënt over de tijd een verplaatsing van kosten zien, bijvoorbeeld van de Wlz naar de Wmo, dan kunnen we daaruit opmaken dat die persoon niet meer in de kliniek of een zorgwoning verblijft, maar thuis ondersteund wordt vanuit het sociaal domein en dus in belangrijke mate hersteld is. Daarnaast kunnen we op basis van die kosteninformatie kijken naar patronen voor groepen patiënten. Welke interventies bij welke indicatoren dragen bij aan de doorstroom van deze patiënten van het ene naar het andere domein, ofwel: welke inzet doet hun zorgafhankelijkheid afnemen?”
Standaard screening
Eric haalt landelijk onderzoek aan waaruit blijkt dat somatische comorbiditeit voorkomt bij bijna 70 procent van alle patiënten in de ggz. Dat wil zeggen dat zeven op de tien patiënten naast hun psychische ziekte ook (meerdere) lichamelijke aandoeningen heeft. “Toch screenen we op dit moment niet meer dan 7,6 procent van alle ggz-patiënten.” Ook noemt hij het promotieonderzoek van psychiater Esther Klopper, waarin zij naar voren brengt dat een aanzienlijk deel van de jongvolwassen patiënten van GGNet ook somatische klachten heeft. “Deze en andere onderzoeken leren ons dat heel wat patiënten meerdere aandoeningen of risicofactoren met zich meedragen waar we als behandelaars iets mee moeten. Wat mij betreft wordt een somatische screening van alle patiënten de standaard; om hen betere zorg te kunnen leveren en beter te helpen op weg naar herstel.” Voor nog een andere belangrijke bevinding wijst Eric op recent onderzoek onder patiënten met een verwijzing naar VGGNet. “Bij velen van hen bleek sprake van een genetische afwijking die verhoogd risico geeft op onder meer psychose en depressie. Vanwege het hoge percentage patiënten met een genetische afwijking heeft VGGNet besloten om voortaan álle patiënten daarop te screenen. Screening is al jaren een speerpunt voor GGNet, zo nemen wij een leidende rol in de landelijke toepassing van screening op (licht) verstandelijke beperking.”
Opnieuw bekijken
Eric haalt nog een onderzoek aan, van psychiater Mike Veereschild. “Zijn onderzoek geeft de essentie van mijn leerstoel mooi weer. Eenvoudig gezegd heeft Mike opnieuw naar het dossier van een groep EPA-patiënten gekeken: Wat zie ik hier? En als ik deze mensen nu diagnosticeer, volgens de huidige richtlijnen, kom ik dan tot dezelfde diagnose die vijf jaar geleden is gesteld?” Dat bleek niet voor allemaal het geval, vertelt Eric. “Voor die mensen heeft Mike een nieuwe behandeling opgezet. Met als resultaat dat een derde van hen is uitgestroomd uit de klinische of langdurige ggz. Niet dat zij allemaal volledig hersteld zijn, maar vanwege die herdiagnose kunnen zij nu toe met minder intensieve ambulante zorg.”
Dat resultaat betekent overigens niet dat de aanvankelijke diagnose van deze patiënten te wensen overliet, haast Eric zich te zeggen. “Patiënten veranderen, het vak ontwikkelt zich en we doen steeds nieuwe inzichten op. Daarom hang ik ook het standpunt aan van voormalig GGNet-directeur Kees Lemke: laten we EPA-patiënten vijf of zes jaar lang elk jaar of elke twee jaar screenen. Daarvan kunnen we zó veel leren, voor de verbetering van zorg en het herstel van patiënten.”
Mooie stappen
Belangrijke vraag nog: wie gaat al die gegevens uit al die verschillende bronnen analyseren? Hoe vertalen we nou al die data naar betere zorg? Eric: “We hebben verschillende medewerkers die terugkoppelingen geven aan afdelingen en teams. Zo hebben de ATAS’ers (Aandachtsfunctionarissen Training Agressie en Sociale veiligheid, red.) toegang tot een dashboard met realtime data over de toepassing van verplichte zorg. Zij kunnen uit die gegevens onder meer afleiden hoe een team het doet en welke patronen zich aftekenen door de tijd heen.” Het goed registreren en analyseren van die data – hoe vaak worden patiënten ingesloten, welke patiënten zijn dat en onder welke omstandigheden gebeurt dat? – heeft inzicht gegeven in mogelijkheden om minder ingrijpend te handelen en meer preventief te werken. Met als resultaat dat het aantal insluitingen bij GGNet de afgelopen jaren flink is afgenomen – van pakweg 15 naar 5 procent van alle patiënten die worden opgenomen (meer hierover lees je in dit artikel, red.). “En zo is er bijvoorbeeld ook een overkoepelend dashboard voor de registratie van agressie en zelfbeschadiging, waar onder andere VGGNet, de HIC en de ouderenafdelingen gebruik van maken. Op allerlei plekken verzamelen we gegevens, ook via wetenschappelijk en labonderzoek, en hoe beter we al die data aan elkaar verbinden, hoe breder we kunnen kijken naar de patiënt, de zorg die we leveren en het herstel dat zich aftekent. We zetten mooie stappen en kunnen nog meer koppelingen maken voor de best passende zorg. Ik ben dankbaar dat ik daaraan de komende jaren kan verder werken, in onderzoek en onderwijs, samen met collega’s, promovendi en studenten. De verschillende dashboards de we hebben ontwikkeld vormen een voorbeeld voor andere instellingen.”
Foto's
Lees het onderzoek
Via onderstaande link lees je het onderzoek ‘Meer zicht op herstel. Op weg naar een onderzoeksmodel bij mensen met langdurige zorgbehoefte in de specialistische GGZ’. Je kunt het onderzoek ook downloaden als pdf.
Meer weten over onderzoek bij GGNet?
Bij GGNet vinden we onderzoek en innovatie belangrijk. De resultaten van onze onderzoeken dragen bij aan vernieuwing van onze behandelingen en hiermee de verbetering van onze kwaliteit van zorg.